Oog voor signaleren
Na jaren in de pleegzorg werkt Ilona Sibbing inmiddels volledig voor Jeugdformaat Academie. In haar trainingen combineert ze haar ervaring uit de praktijk met concrete voorbeelden die deelnemers meteen herkennen. Eén van de trainingen die ze met veel plezier geeft, is Oog voor signaleren. “Omdat je hier zó duidelijk ziet hoeveel verschil het maakt als je samen leert kijken,” vertelt ze. “En omdat signaleren iets is wat iedereen doet, vaak zonder het door te hebben.”
De training draait om één centrale vraag: wanneer maak je je zorgen over een kind of jongere, en wat doe je vervolgens met wat je ziet? “Het lastige is dat we allemaal anders naar gedrag kijken,” legt ze uit. “Wat voor de één zorgelijk voelt, vindt een ander helemaal niet spannend. Daarom is het zo belangrijk om onderscheid te leren maken tussen wat je feitelijk waarneemt en wat je erbij voelt.”
Van waarnemen naar begrijpen
In de training begint het bij vertragen. Eerst kijken: wat zie je écht? “Vaak is gedrag pas zorgelijk als er iets verandert,” zegt ze. “Een leerling die altijd te laat komt, roept minder vragen op dan een leerling die altijd op tijd was en ineens structureel te laat is. Dat verschil leren deelnemers scherp zien.”
Een voorbeeld dat vaak wordt besproken, is dat van een meisje dat op maandagen steeds te laat op school komt. “Op het eerste gezicht lijkt er niets zorgelijks aan de hand: te laat is te laat. Maar als je doorvraagt, kan daaruit komen dat ze in het weekend voor een zieke ouder zorgt. Dan kijk je ineens heel anders naar dat gedrag. Niet straffen, maar begrijpen en ondersteunen.” Tijdens de training werken deelnemers met een helder signaleringsmodel. “We gebruiken kleuren om te duiden waar je zit,” legt ze uit. “Geel: je ziet iets opvallends. Oranje: je maakt je zorgen. Rood: er is direct actie nodig. Dat helpt om samen te bepalen wat passend is, in plaats van op gevoel te handelen.”
Samen kijken en vervolgens samen handelen
Wat deelnemers vaak verrast, is hoe verschillend collega’s naar dezelfde situatie kijken. “We doen een oefening waarbij situaties letterlijk op de grond liggen,” vertelt ze. “Iedereen gaat staan bij de casus waar hij of zij zich het meest zorgen over maakt. Dan zie je meteen: we staan allemaal ergens anders. En juist dat gesprek is erg waardevol.”
Die verschillen hebben vaak te maken met eigen ervaringen, normen en waarden. “Als jij vroeger zelf veel alleen was en dat lastig vond, kan het zijn dat je sneller schrikt van een leerling die zich terugtrekt. Terwijl een collega denkt: dit kind is even aan het ontprikkelen. Dat betekent niet dat één van beiden fout zit, maar wel dat je dit samen moet onderzoeken.”
Daarom benadrukt de training dat signaleren nooit iets is wat je alleen doet. “Je moet het met elkaar doen,” zegt ze. “Juist door samen te kijken, voorkom je dat je doorschiet in zorgen of juist te lang afwacht.”
Kleine signalen, grote impacten
In de training komen veel herkenbare situaties voorbij. Zoals Naomi (13), die elke ochtend haar zusjes naar school brengt en daarna vaak te laat in de les zit. Of Ryan (15), die vertelt dat hij thuis een klap krijgt als hij een onvoldoende haalt. “Dat zijn momenten waarop je niet kunt denken: dit is vast niets,” zegt ze. “Dan moet je weten wat je rol is en welke stappen je zet.”
Ook subtiele uitspraken kunnen een groot verschil maken. “Een jongen van zeventien die zegt: ‘Niemand zou me missen als ik vanavond niet thuis kom.’ Dat lijkt misschien een losse opmerking, maar als je daar op doorvraagt, kan blijken dat iemand in een onveilige thuissituatie zit. Dat leer je in deze training: durven doorvragen, zonder meteen te oordelen.”
Wat deelnemers na afloop vaak meenemen, is dat signaleren niet gaat over alles oplossen. “Het gaat erom dat je ziet, bespreekt en samen bepaalt wat nodig is,” zegt ze. “En dat je weet wanneer je zelf iets kunt doen, wanneer je moet overleggen en wanneer je moet opschalen.”

