Wat doe je als een leerling niet meer echt aanhaakt op school? De cijfers lopen terug, het verzuim neemt toe, en ergens hoor je steeds vaker: “Ik weet eigenlijk niet meer waar ik het voor doe.” Schoolmaatschappelijk werker Judith van Marrewijk ziet dat soort vragen steeds vaker langskomen. Vanuit haar werk bij Schoolformaat kijkt ze dan niet alleen naar gedrag of resultaten, maar vooral naar wat eronder zit. “Ik ben altijd benieuwd waar een leerling van aangaat,” vertelt ze. “Waar zit het vlammetje? Wat geeft dan wel energie?”
Talentontwikkeling loopt als een rode draad door haar gesprekken. Niet als een apart programma, maar verweven in de manier waarop ze met leerlingen werkt. En juist vanuit die ervaringen wordt nu gekeken naar een collectieve aanpak: hoe help je leerlingen die motivatie missen weer richting te vinden?
Van ‘waar doe ik het eigenlijk voor?’ naar weer richting voelen
Wat Judith veel ziet, is dat leerlingen niet per se lui zijn of niet willen. “We zien resultaten teruglopen, verzuim oplopen of leerlingen die niet echt aanwezig zijn in de klas. De één zit naar buiten te turen, de ander wordt juist een stoorzender. Maar daaronder zit vaak hetzelfde: motivatie die weg is.” Volgens haar speelt de wereld waarin jongeren leven daar een grote rol in. “Door socials en alles wat er gebeurt, zijn jongeren veel bezig met onzekerheid over de toekomst. Dan komt die vraag vanzelf: waarom moet ik dit allemaal doen?”
In plaats van alleen in te zetten op minder verzuim, wil Judith eerst begrijpen wat eronder zit. “Als iemand niet weet wat hij wil, of niet weet waar hij goed in is, dan gaan we daar eerst naar kijken. Want als dat weer duidelijk wordt, komt die schoolmotivatie vaak vanzelf terug, omdat ze weer een doel voor ogen hebben.”
Collectieve aanpak, samen op zoek naar doelen en talenten
Samen met collega’s werkt Judith aan een collectief traject rondom talentontwikkeling. Geen training, benadrukt ze meteen. “We willen niet dat het voelt alsof je vaardigheden moet leren. Het gaat juist om ontdekken.” Het idee: een kleine groep leerlingen met een vergelijkbare hulpvraag, vier à vijf bijeenkomsten, elk met een eigen thema. De eerste keer draait om veiligheid en doelen. “Leerlingen kennen elkaar vaak niet. Dan moet je eerst zorgen dat de groep veilig voelt. Maar als ze merken dat anderen ook zoekend zijn, gebeurt er meteen iets.”
In een volgende bijeenkomst werken ze met een hand-oefening. “Je ringvinger gaat over waar je trouw aan bent of met wie je je verbonden voelt. De middelvinger: waar ben je boos over? De pink: wat wil je nog leren? De duim: waar ben je trots op? En de wijsvinger: wat is je doel, welke richting wil je op?” Door dat samen te doen ontstaat uitwisseling. “Dat collectieve stuk is belangrijk. Elkaar herkennen, voor elkaar een voorbeeld zijn. Soms krijg je een trots gevoel als je een ander iets kunt leren.” Het doel blijft hetzelfde: “Dat het vlammetje weer aangaat. Iemand weer in zijn kracht zetten.”
Wat er gebeurt als je kijkt naar wat wel werkt
In de praktijk ziet Judith vaak dat motivatie terugkomt zodra leerlingen weer iets hebben waar ze op aangaan. Zo begeleidde ze een leerling met veel verzuim en tegenvallende resultaten. “Er was weinig steun vanuit het netwerk en thuis weinig financiële ruimte. We zijn gaan kijken: waar word jij blij van? Waar laad je van op na een schooldag?” Dat bleek tennis te zijn. Alleen was daar geen geld meer voor. “Door samen met de gemeente en de tennisleraar te kijken naar een regeling kon de leerling weer tennissen. Dat gaf energie en structuur.”
Een ander voorbeeld gaat over een leerling die snel een vol hoofd had en sterk reageerde op sociale interacties op school. “We zochten naar ontspanning. Hij bleek scheikunde geweldig te vinden.” Judith regelde samen met de docent dat hij in pauzes in het scheikundelokaal mocht experimenteren. “Dat hielp hem om zijn hoofd te legen.”
Dat soort oplossingen ontstaan alleen als je verder kijkt dan gedrag. “Het gaat erom dat leerlingen weer voelen: ik kan iets, ik mag ergens enthousiast over zijn.”
Naast de leerling staan in plaats van erboven
In elk traject speelt de samenwerking met ouders en school een rol. Mentoren signaleren vaak als eerste dat iets niet loopt. “Een mentor is het eerste aanspreekpunt en probeert eerst zelf uit te zoeken wat er speelt,” legt Judith uit. Pas wanneer meer nodig is, komt het zorgteam in beeld. Ouders worden er altijd in meegenomen, maar Judith bewaakt ook de ruimte van de leerling. “Het traject heb ik echt met de leerling. Ouders worden wel op de hoogte gehouden van algemene zaken, maar inhoudelijk verder niet. Als er echt iets speelt, bespreek ik eerst met de leerling hoe we dat met ouders gaan delen.” Volgens Judith zijn ouders ontzettend belangrijk. “Daar groeien kinderen op. Daarom vraag ik altijd: wat valt jullie op, wat zien jullie? Wat is jullie hulpvraag?”
En haar belangrijkste advies aan ouders klinkt simpel, maar krachtig: “Luister naar je kind. Twee keer luisteren en één keer praten. Ga naast je jongere staan, niet erboven. En doe dat zeker in de puberteit.” En tegen leerlingen zegt ze: “Doe vooral waar je echt blij van wordt. Het hoeft niet altijd het hoogste of het beste te zijn. Kies iets waar je op aan gaat en je goed bij voelt.”

