Wensen en grenzen in de klas: soms ongemakkelijk, maar wel nodig

In de Week van de Lentekriebels draait het op scholen om wensen en grenzen. Een onderwerp waar niet iedereen meteen op zit te wachten, maar dat volgens Sandra Schell Gomes juist belangrijk is om bespreekbaar te maken.

Sandra werkt inmiddels vijf jaar bij Schoolformaat als preventiemedewerker en schoolcoach. Ze is aanwezig op school en begeleidt leerlingen, ouders en docenten. Daarnaast zit ze in het zorgteam. Ze werkt op een ISK-school, een school voor nieuwkomers uit verschillende landen. “Sommige hebben wel onderwijs gevolgd, maar sommige zijn analfabetisch. En al deze kinderen begeleiden wij.”

Vanuit Schoolformaat geeft ze daarnaast ook gastlessen over wensen en grenzen. En juist daar ziet ze hoe verschillend leerlingen hiermee omgaan.

Eerst verbinden, daarna pas het onderwerp

Toen Sandra begon met de lessen, merkte ze al snel dat niet iedereen er meteen voor open stond. “De school waar ik zat was een scholengemeenschap met veel verschillende culturen. Dan hoor je bijna alleen maar: moet dit?”

Daarom begint ze bewust niet meteen met de inhoud. De eerste lessen draaien vooral om verbinden en veel vragen stellen. “Als je die verbinding hebt, is het vaak al klaar met de lessen,” legt ze uit. Tegelijk blijft het spannend in de klas. Leerlingen knikken of kijken weg en reageren weinig. “Het is echt awkward, vooral als jongens en meiden samen in de klas zitten.”

In plaats van het meteen over seks te hebben, houdt Sandra het bewust breder. “Ik focus erop dat het niet te plat is. Seks is ook eerst vriendschap. Je moet een band hebben. En daarin moet je kijken: hoe kan je je grens bewaken?” Juist die insteek helpt om het gesprek langzaam op gang te brengen.

Verschillen in hoe leerlingen reageren

In de klas ziet Sandra grote verschillen in hoe leerlingen omgaan met wensen en grenzen. Sommige leerlingen vinden het lastig om iets te zeggen, terwijl anderen juist heel duidelijk zijn. “Sommige islamitische leerlingen kunnen makkelijker grenzen stellen. Zij zeggen bijvoorbeeld: geen seks voor het huwelijk. Dan hebben ze een duidelijke reden.”

Ook tussen jongens en meiden merkt ze verschil. “Meiden kunnen best snel hun grenzen aangeven. Als je een voorbeeld geeft, zoals iemand die fluit op straat, dan weten zij vaak goed wat ze daarvan vinden.” De gesprekken die daaruit ontstaan, laten zien hoe uiteenlopend de ideeën zijn. Sandra werkt veel met vragen en stellingen. Bijvoorbeeld over de leeftijd waarop jongeren voor het eerst seks hebben. “Dan zegt iemand zestien, en een ander zegt: nee, je moet eerst trouwen.” Zulke reacties zorgen soms voor ongemak. “Bovenal hoor je vaak ‘iew’ en vinden jongeren het echt ‘awkward’ om te praten over dit soort onderwerpen met de hele klas erbij”. Maar de jongeren maken wel zichtbaar hoe verschillend er wordt gedacht over dit onderwerp.

Het gesprek altijd open houden

De lessen bestaan uit filmpjes, feitjes en ja- en nee-opdrachten, maar volgens Sandra zit de kracht vooral in het gesprek. “Niet alleen maar zenden en geven, maar echt vragen: wat denk jij, wat vind jij?” Tegelijkertijd weet ze dat dit niet voor iedereen vanzelfsprekend is. Sommige leerlingen geven aan dat ze er thuis niet over mogen praten of zelfs niet naar de les mogen. Daarom probeert ze hen mee te geven dat er altijd iemand anders kan zijn om mee te praten. “Een oom, tante, vriend, vriendin of iemand die je vertrouwt.”

Ook als leerlingen weinig teruggeven, ziet ze daar waarde in. “Ze knikken of kijken weg, maar je geeft wel informatie mee.” En juist dat is volgens haar belangrijk: dat het onderwerp er is en dat leerlingen weten dat het besproken mag worden.

Als Sandra één boodschap mag meegeven aan ouders en leerkrachten, dan is het dat ze jongeren moeten blijven betrekken. “Niet alleen maar zenden en geven, maar echt vragen stellen. Wat denk jij? Wat vind jij?” Door dat gesprek open te houden, leren jongeren stap voor stap nadenken over hun eigen wensen en grenzen.

Deze nieuwsberichten vind je misschien ook interessant