Een leerling die boos reageert op een simpele opdracht. Een kind dat al maanden thuiszit. Of ouders die niet helemaal door hebben wat een leerling nodig heeft. Voor Maritha Roeten zijn dat de momenten waarop haar werk begint. Sinds januari 2026 werkt ze als gedragswetenschapper op College Sint Paul, via Jeugdformaat en Schoolformaat. “Docenten zijn vooral bezig met hoe leerlingen de stof begrijpen,” vertelt ze. “Ik kijk juist naar het gedrag, de ontwikkeling en alles daaromheen. Waar komt bepaald gedrag vandaan? Wat heeft invloed?”
Maritha is 29 jaar en maakte hiervoor de overstap vanuit de gesloten jeugdzorg en dagbehandeling naar het onderwijs. “Dat gedragswetenschapper-wereldje ligt mij gewoon heel goed,” zegt ze. “En deze school past daar ook bij, omdat er echt gekeken wordt naar ondersteuning en maatwerk voor ieder kind.”
Niet alleen kijken naar gedrag, maar naar het hele plaatje
Op College Sint Paul krijgen leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben de eerste twee jaar vaak les in een plusklas. Kleine klassen, veel structuur en duidelijkheid. “We willen leerlingen echt een zachte landing geven,” legt Maritha uit. “Veel van deze kinderen hebben al veel meegemaakt. Dan helpt het als een school een voorspelbare en veilige omgeving is.”
Een groot deel van haar werk begint nog vóór een leerling op school start. Maritha leest dossiers van leerlingen uit groep 8 die worden aangemeld. “Dan kijk je onder andere naar de ondersteuningsbehoefte. Wat heeft een leerling nodig? Kunnen wij dat bieden of is een andere plek passender?” Daarbij komen allerlei documenten voorbij: OKR’s, Cito-gegevens en verslagen van eerdere hulpverlening. “Soms vraag ik ook extra informatie op als bepaalde vragen onbeantwoord blijven.”
Bijvoorbeeld hoe een leerling reageert op een gedragscorrectie of hoe het gaat in de klas.”
Daarna bespreekt ze alles samen met de COPA (Coördinator Passend Onderwijs) en andere betrokkenen. “Iedereen kijkt eerst zelfstandig naar een dossier en daarna ga je met elkaar in overleg. Dat zijn soms echt lange gesprekken.” Want volgens Maritha zit er achter ieder dossier een verhaal. “Schoolverzuim bijvoorbeeld kan veel impact hebben. Zeker als een kind langere tijd thuis heeft gezeten.”
Toch probeert de school steeds opnieuw met een frisse blik te kijken. “Wij denken echt vanuit onderwijs op maat. Niet meteen kijken naar wat er niet kan, maar juist: wat is er nodig, zodat iets wel lukt?”
Soms zit de oplossing in iets kleins
Naast de dossiers zit Maritha ook wel eens in de klas. Observeren, meekijken en samen nadenken met docenten en leerlingbegeleiders. “Hoe reageert een leerling op een opdracht? Wat gebeurt er als een docent iets vraagt? Dat soort dingen probeer ik goed te analyseren.”
Vanuit daar geeft ze praktische handelingsadviezen. Soms zit dat in kleine aanpassingen. “Hoe deel je een les in? Welke structuur werkt wel? Hoe geef je een correctie?” Volgens haar helpt het vaak al als docenten begrijpen waar gedrag vandaan komt. “We geven bijvoorbeeld uitleg over autisme of emotieregulatie. Dan hoor je later terug: oh ja, nu snap ik beter waarom die leerling zo reageert.”
En juist dat stukje begrip maakt verschil. “Je merkt dat docenten dan anders gaan kijken. Niet alleen meer: dit gedrag is lastig, maar ook: wat heeft deze leerling nodig?”
Dat betekent niet dat alles altijd makkelijk is. Maritha merkt juist dat belangen soms botsen. “Ouders kunnen iets anders zien dan een basisschool. Of een school heeft het gevoel dat een leerling meer ondersteuning nodig heeft dan ouders denken.” Daar zit volgens haar vaak de uitdaging. “Iedereen kijkt vanuit zijn eigen perspectief. Dan moet je samen proberen tot iets te komen wat passend is.”
Theorie vertalen naar het echte leven
Volgens Maritha ligt haar kracht vooral in het vertalen van theorie naar praktijk. Dat ziet ze bijvoorbeeld terug bij gesprekken met ouders over onderzoeken of IQ-uitslagen. “Dan staat er heel veel informatie in zo’n verslag, maar wat betekent dat nou eigenlijk voor je kind thuis of op school?”
Zo was er laatst een leerling waarbij de ouders hulp nodig hadden om testgegevens beter te begrijpen. “Dan probeer ik dat echt in gewone taal uit te leggen. Waarom laat een kind bepaald gedrag zien? Waar past iets bij?” Juist dat stukje uitleg helpt ouders vaak verder. “Dat ze hun kind beter gaan begrijpen.”
Daarnaast werkt ze aan ontwikkelingsplannen van leerlingen. “Dat is eigenlijk een groot logboek waarin staat wat goed werkt, waar iemand tegenaan loopt en wat aandachtspunten zijn.” Dat gaat mee gedurende de schoolloopbaan, zodat docenten niet steeds opnieuw hoeven te zoeken. “Dan weet een volgende docent ook meteen: hier moet ik rekening mee houden.”
Wat haar werk mooi maakt, is dat er vaak beweging ontstaat in kleine dingen. “Soms hoor je een docent later zeggen: hé, dit werkte eigenlijk best goed.”

