“In welke wereld zijn wij jeugdhulpverleners terecht gekomen?”

Onlangs werd ik gebeld door een vriendelijke consultant van een groot advies- en accountantsbureau. Deze consultant waarschuwde mij voor de risico’s met betrekking tot de vennootschapsbelasting. Een ieder die werkzaam is in de jeugdhulpverlening zal, net als ik, denken wat hebben vennootschapsbelasting en jeugdhulpverlening met elkaar te maken?

Ik luisterde aandachtig naar de uitleg van de vriendelijke consultant. Uitvoerig vertelde hij mij dat sinds de invoering van de nieuwe Jeugdwet op het niveau van de ministeries van VWS en Financiën druk overleg wordt gevoerd over de vraag of het bieden van Jeugdhulp onder de vennootschapsbelasting valt. Mijn eerste reactie was, 

'Dit kan niet waar zijn?' Ons werk als hulpverleners aan kinderen, jongeren en hun ouders heeft toch niets met belastingen over winst te maken?  

Wij beogen als hulpverleners toch geen winst te maken met onze hulpverlening? Ziekenhuizen en het verzorgen van mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking zijn toch ook vrijgesteld van deze zogenaamde winstbelasting? Dat klopt, stelde de vriendelijke consultant. Maar deze instellingen richten zich op het genezen, verplegen of verzorgen van zieke mensen. 

Op de ministeries vraagt men zich af of het verlenen van hulp bij opvoeding en ontwikkeling van kinderen en gezinnen ook onder deze zogenaamde vrijstelling voor de zorg valt. 

Gaandeweg het gesprek werd mij duidelijk dat net als bij de Europese aanbestedingen van de jeugdhulp de overheid onbewust, of nog erger bewust  niet heeft willen nadenken over de gevolgen van al deze maatregelen voor ons werk. 

Veel Kamerleden roepen herhaaldelijk dat het Europees aanbesteden van jeugdhulp  te ver gaat en het gevolg is van doorgeslagen marktdenken. 

De staatssecretaris reageert vervolgens bezwerend dat het allemaal wel meevalt en dat hij zal meehelpen om tot zo simpel mogelijke procedures te komen. 

Ondertussen moeten wij, hulpverleners, ons bezighouden met fiscaal juridische vraagstukken om een aanslag van vennootschapsbelasting te voorkomen. En weer andere juristen en consultants inzetten om ingewikkelde aanbestedingsprocedures te kunnen volgen. Langzamerhand zijn wij als hulpverleners in de wereld van gunningscriteria, leveringsvoorwaarden en natuurlijk concurrentie terecht gekomen. Een systeemwereld met allerlei vormen van procedures, targets, formats , verantwoordingseisen en bijbehorende administratieve lasten.

Het is een wereld die ver ligt van de leefwereld van onze kinderen, jeugdigen en gezinnen, maar ook de afstand tot de wereld van hulpverleners is groot. Was dit nu allemaal de bedoeling van de nieuwe Jeugdwet en de decentralisatie van de hulp naar de gemeenten? De bedoeling van de wet was toch om de hulp eenvoudig en snel toegankelijk te maken voor alle burgers? En om verkokering tussen instellingen te voorkomen en juist samenwerking te stimuleren? 

Als ik deze vragen stel aan gemeenteambtenaren, politici en andere beleidsmakers dan is steevast het antwoord dat al het gedoe rond aanbestedingen en vennootschapsbelastingen natuurlijk niet de bedoeling was. 

Vervolgens verwijst iedereen naar elkaar. 

De gemeenten naar de staatssecretaris en hij op zijn beurt weer naar Europa. Kortom, we blijven met z’n allen ronddraaien in een systeemwereld. Een wereld die niet de onze is. Een wereld die niet de onze wordt.

Daarom moeten wij zelf verantwoordelijkheid pakken. Hulpverleners en gemeenten moeten de moed tonen en gezamenlijk aan de bel te trekken bij het nieuwe kabinet. Het nieuwe kabinet moet  een einde maken aan alle doorgeslagen gekkigheden rond aanbestedingen en de zogenaamde “winstbelasting” op het bieden en verlenen van jeugdhulp. 

Het werk van jeugdhulpverlener vraagt dat we al onze energie en tijd, ongehinderd door aanbestedings- en belastingwetgeving, besteden aan de leefwereld van onze kinderen, jongeren en ouders. Want iedereen zal het er over eens zijn dat dit de bedoeling is van de nieuwe Jeugdwet!

Bas Timman -